![]() Truc!! De bladzijden van het blad waren glanzend met veel prachtige kleurenfoto's, allemaal genomen met precies de juiste belichting. Meerdere designinterieurs lachten mij toe, stoelen met metalen frames en rare puntige zitgedeelten waarop ik het geen uur zou uithouden, laat staan lekker uitgezakt een film lang met een pot thee in de nabijheid. Want in de wijde omtrek van die stoel stond verder niks, ergens in de verte alleen een glazen tafeltje dat eruit zag of het bij de aanraking van een glas bier spontaan in stukken uiteen zou vallen. Omslaan dus maar. Vrolijk bladerde ik verder, in het volle bewustzijn dat ik uitgebreid genept werd, bij de neus genomen zogezegd. Want enkele maanden geleden stond er een stuk in de krant over meubel- en interieurontwerpers: zij houden een praatje over retro-mode, nieuwe zakelijkheid, terug naar de natuur of andere modieuze trends en versieren dat met allerlei prachtige foto's, maar daarbij roepen ze bij de lezer een sfeertje op. En dáárdoor kopen mensen die spullen. U herkent het vast wel: een type Jan des Bouvrie (als die bij mij op de stoep zou staan joeg ik hem acuut weg met mijn bezem) presenteert een door hem in elkaar geknutselde kamer en zegt er fijntjes bij dat hij deze ontworpen heeft voor filmster dit of presentator dat. En dan gaat bij veel mensen een knopje om: "oh ja", denken ze onbewust, "als ik die gepunnikte tafel met die creatieve kunststof stoelen nu aanschaf dan ben ik gelijk aan zangertje nul". En ja hoor, bingo, kassa! Dit trucje wordt helemaal uitgebuit rond de Kerstdagen. Dan zien we weer van die glanzende foto's, in zacht en warm sfeerlicht, veel kaarsen en grote, vooral grote kamers (bijna niemand heeft zoveel ruimte), grotendeels leeg, maar hier en daar smaakvol neergezette meubels. In de hoek staat een uiterst bijzonder versierde kerstboom, de open haard brandt altijd en meestal zit in zo'n onzitbare stoel een graatmager model in een avondjurk. Er ligt nergens rommel, de boom ruizelt in geen honderd jaar en de kachel brandt zonder roet of aanslag. Mensen zien dat, schaffen die spullen aan in de veronderstelling dat hun eigen huis nu precies dezelfde sfeer heeft, dat zij hetzelfde graatmagere figuur hebben in die avondkleding en dat ze heel modern overkomen. Maar dat is dus nooit het geval: als je eerst een gezellige rommelige doorzonkamer hebt is die er nog steeds, alleen staan er dan rare meubels in en valt de kerstboom uit de toon. En een gefrustreerd iemand blijft gewoon een anoniem niksje, ondanks de spullen van zangertje nul Een krantenartikel kan op die manier voor veel duidelijkheid zorgen. Ik las verder en kwam op een badkamerpagina terecht. En wat zag ik daar: het heel ouderwetse bad komt terug, u weet wel, zo'n losse badkuip op van die gekrulde pootjes. Oh, wat leuk, wat ontzettend lief stond dat, was dat niet iets voor bij ons? Zo'n kuip op krulletjes? Gelijk moest ik denken aan heel vroeger: ik was nog een klein meisje en op bezoek bij mijn familie in Nijmegen. Wij gingen daar regelmatig heen en het was daar een soort zoete inval: heel vaak kwamen ooms en tantes op bezoek, soms met neefjes en nichtjes, maar ook waren er familieleden ván familieleden. Hou dan in de gaten dat in de oudere takken van de familie enkele mensen twee keer getrouwd waren en dan begrijpt u dat het allemaal niet goed te begrijpen was voor mij als al die namen door elkaar buitelden. Op een gegeven moment kwamen er twee dames binnen: eentje was zeer, echt zeer dik en werd steunend en zuchtend met behulp van twee handige ooms op een bank neergezet, want ze was gewoon te breed voor een stoel. De andere was een oudere dame, kaarsrecht en statig kwam ze de kamer binnenlopen, ze sprak met een lage harde stem en hoorde nogal slecht. "Dat is tante Marie", wees mijn moeder op de puffende vrouw op de bank, "en dat is tante Til. Geef maar mooi een handje." Ik deed dat keurig. "Kijk, dit is Susanne, onze dochter", riep ze met enige stemverheffing. "Dag kind", baste tante Til en gaf me een aai over mijn bol. Stilletjes keek ik ze aan, tante Marie en tante Til dus, het waren geloof ik twee ongetrouwde zussen van een aangetrouwde oom. Ze woonden in een oud huisje in de Nijmeegse binnenstad. Tante Til heb ik vaker gezien, het was een heel vrolijk en gezellige dame met wie je enorm kon lachen. Steeds als ze me zag twinkelden haar ogen en baste ze: "dag kind, alles goed?" Tante Marie heb ik daarna nog maar een keer gezien. Ik herinner me haar als een geheimzinnige sfinx, ze zat daar maar te zwijgen op die bank, met een grote hoornen bril op haar neus. Die laatste keer is ze van de trap gevallen, enkele treetjes waren het, maar jonge jonge, het hele huis stond op z'n kop, want ze was niet gemakkelijk meer op de been te krijgen. De hele familie kwam eraan te pas: ze lag half in een hoek, alle tantes stonden erbij en riepen raadgevingen en alle ooms deden hun best er iets aan te doen. Waarom moest ik opeens met zoveel genegenheid aan tante Marie en tante Til denken? Door die badkuip op pootjes, die zo'n veertig jaar na dato in dat blad stond. Want in de familie wisten wij dat je tante Marie nooit op zaterdagavond op bezoek moest vragen, want dan ging ze, naar eigen zeggen, in het "tobbetje"; in bad dus zogezegd. Een van mijn ooms zei dan altijd met zijn meest slepende Nijmeegse accent: "nou, als tante Marie met één teen in 't tobbetje gaat is meteen 't hele tobbetje vol." Het systeem had dus weer gewerkt: ik voelde genegenheid voor dat bad vanwege mijn jeugdherinneringen: Nijmegen, al die ooms en tantes, die gezellige drukte, de koffiemolen aan de keukenmuur, mijn logeerkamertje met de grote speelgoedkast, de lieve basstem van tante Til en het tobbetje van tante Marie. Maar die tijd is voorgoed voorbij, bestaat niet meer, weg, is nooit terug te halen, ook niet met een badkuip op krulpoten. Het is een trucje, een kunstje, verkooptechniek heet het dan netjes. En ik was er toch bijna ingetrapt! Susanne Gondrie |