Terug naar laatst bekeken pagina
Gewoon maar een naam....Dachau>

Het was het middaguur. De zon scheen, de wind waaide door de bomen, wat een suizend geluid gaf over het slaperige pleintje, waar af en toe een auto voorbij reed. We zaten wat te soezen op een terrasje, op metalen stoeltjes aan een houten tafel. Twee glaasjes witte wijn, nog halfvol en een mandje met nog wat stukjes donker brood. We schoven even op de stoelen, want het pleintje was bestraat met hobbelige keien en dus wiebelde het meubilair een beetje. We keken om ons heen, naar de leuke vakwerkhuizen en de vensterbanken met bloembakken vol geraniums, petunia's en begonia's. Het was op en top vakantie, in Beieren. Vriendelijke mensen om ons heen, een serveerster in klederdracht die een slepend en zangerig zuid Duits dialect sprak. Ze bracht ons de rekening en we legden wat euro's neer.
Ik pakte het bonnetje en bekeek het even.
Onderaan stonden de datum en de tijd vermeld en de naam van het dorpje waar we net zo rustig hadden gezeten: Dachau.

En dat zet je toch wel aan het denken, want een paar kilometer verwijderd van dit Beierse plaatsje lag het allereerste concentratiekamp dat de nazibeulen hadden opgezet en tot het einde van de tweede wereldoorlog in vol bedrijf hadden laten draaien. We hadden het tevoren bezocht. Natuurlijk kenden we verhalen erover en hadden we wel eens foto's ervan gezien, maar de werkelijkheid is altijd anders, veel overweldigender, indringender en veel dichterbij. Hoe zou het geweest zijn om in de jaren 1932-1945 in Dachau te wonen, vroeg ik me af.
Je bent een gewone Duitse man of vrouw, je probeert je zo goed mogelijk staande te houden en leeft van de ene in de andere dag, je werkt, hebt een gezin, je doet de dagelijkse dingen. En een paar kilometer verder ligt het concentratiekamp: een lange weg erheen, een spoorlijntje, een metalen poort met daarop de woorden "Arbeit macht frei".
Binnen een groot gebouw waar alle gevangenen werden opgevangen, waar ze in de administratie werden ingeschreven, een nummer kregen, een stapeltje kleren.
En waar ze bevelen en beledigingen kregen toegebruld door sadistische kampbewakers in keurige uniformen.
Achter het administratiegebouw de gevangenis. Ervoor de grote appelplaats en daarachter een grote laan met aan weerszijden rijen en rijen barakken. En daarachter de verbrandingsovens.

Hadden de inwoners van Dachau weet van dat alles? Zwegen ze, uit angst voor de dictatuur en hielden ze hun mond, om maar te voorkomen dat ze ook daarheen zouden worden versleept? Gedroegen ze zich zo onopvallend mogelijk? Of waren ze zo verknocht aan hun plekje grond dat ze er nooit buiten kwamen en wisten ze echt helemaal niets, totdat in 1945 de poort openging en de mensen van Dachau met eigen ogen konden zien wat zich in die jaren op hun stoep had afgespeeld? In Dachau is verzet geweest, dat is bekend.
Dat moet je toch maar durven...
En zouden ze beseft hebben dat de naam van hun dorpje van toen af aan voor de wereld gelijk stond aan de vernietiging en de totale krankzinnigheid van het nationaal-socialisme?

Dat was voor mij de grote vraag: wat hebben de gewone mensen toen meegemaakt en ervaren? Wat wisten ze en wat wisten ze niet? Waar waren ze bang voor? Waarmee waren ze het eens? Waarmee helemaal niet? Waarmee een beetje? En waarvoor stonden ze te juichen?
Dat zijn vragen waarop geen enkel geschiedenisboek, geen enkel krantenverslag afdoende antwoord geeft.
En daarachter komt een andere vraag op, een heel confronterende en verontrustende vraag: stel dat ík in Dachau had gewoond in die jaren, hoe zou ik me gedragen hebben? Had ik niets geweten? Had ik me maar heel stil en onopvallend gehouden? Had ik verzet gepleegd? Of zou ik rustig en tevreden op dat dorpspleintje hebben gezeten met een glaasje wijn, in de zon?

Dat zijn vragen die raken aan de kern van het bestaan, dan moet je je rekenschap geven van je diepste menselijkheid en daaraan verbonden je verantwoordelijkheid als mens.
En dat kan een mens zich zijn leven lang blijven afvragen...

Susanne Gondrie
Terug naar laatst bekeken pagina